Bouw en Techniek

We zullen nu de bouw van de standerdmolen eens wat nader bekijken. De molen is op een stevige voet neergezet. Op die voet steunt de standerd (een zeer dikke boom van zo'n 70-80 cm doorsnede). Dit is de centrale spil, die doorloopt tot halverwege de molen. De standerd wordt verticaal gehouden door zeer zware schoren (steekbanden genaamd). De molenkast kan om deze standerd draaien, om zo met het wiekenkruis op de wind gezet te worden (kruien). Om de onderbouw te beschermen tegen weersinvloeden is deze ommuurd en voorzien van een rieten dak. We spreken daarom ook van een gesloten standerdmolen.
 
De kast van een standerdmolen is een fors gevaarte, letterlijk zo groot als een huis, met een steile trap en een staart. Aan deze staart zit een krui-lier, om de molen vanaf de grond op de wind te kunnen kruien. In de kast, die behalve het rieten dak, geheel van hout is, zijn twee verdiepingen, waarop zich het maalwerk bevindt.
 
Helemaal bovenin ligt de iets achteroverliggende houten bovenas, waaromheen een fors bovenwiel met aan beide zijden houten kammen. Via deze kammen worden rechtstreeks de maalstenen aangedreven (zie de tekening). Eén koppel stenen ligt bovenin de molen, direct onder het bovenwiel. Het andere ligt beneden, achter de standerd. Zo'n koppel bestaat uit een ligger, de onderste steen, en een loper, de bovenste steen, die rond kan draaien.
 
Naast de aandrijving van de stenen dient het bovenwiel ook nog voor een andere belangrijke zaak, nl. het afremmen van het wiekenkruis, het vangen genaamd. Om het bovenwiel is nl. een band van lange stukken wilgehout gemaakt, (de vang) die d.m.v. een zware balk (de vangbalk) kan worden aangetrokken om het bovenwiel, als een bandrem. Wordt de vang gelicht, dan kan het wiekenkruis zich in beweging zetten.